In de Spaanse taal belanden

In de Spaanse taal belanden

In het Nederlands is het werkwoord “zijn” altijd hetzelfde. Ik ben brandweerman, ik ben blij, ik ben bij de bakker. Je gebruikt steeds hetzelfde werkwoord. In het Spaans zijn er maar liefst drie vormen van “zijn”: ser estar en hay. Nu hoeven Spaanstaligen er verder niet over na te denken wanneer welk werkwoord van “zijn” te gebruiken. Dat gaat vanzelf. Maar voor iemand die de taal aan het leren is, kan het behoorlijk lastig zijn.

Spaanse les: ser, estar en hay

Als cursist bij Fernández heb ik veel gehad aan de “driehoek” die in de Spaanse les wordt behandeld. Met in alle drie de punten van de driehoek de verschillende vormen van “zijn”. Er wordt een verdeling gemaakt in: ergens of wanneer plaatsvinden (ser of hay), zich ergens bevinden (estar of hay) en iets zijn (ser of estar). Je pakt het velletje papier met de driehoek erbij en kunt zo heel gemakkelijk zien in welke hoek de manier van “zijn” die je voor ogen hebt, thuishoort. Met veel oefenen hoef je op den duur zelfs niet meer na te denken.

Het werkwoord maakt het verschil

Ik had nooit gedacht dat het zoveel kan uitmaken als je zegt: “La sopa está salada” of “La sopa es salada”. Door in het eerste “estar” te gebruiken, heb je het over een toestand van de soep. Met het eerste zeg je feitelijk dat de soep normaal niet zout is, maar nu wel. Je zegt dus dat de soep te zout is of zouter dan normaal. Met het tweede zeg je dat soep zout is, als een kenmerk van soep.

Met het werkwoord geef je het verschil aan. Dat is totaal anders dan in het Nederlands. Het is het verschil tussen zout en te zout, tussen lekkere soep en vieze soep.

Met ezelsbruggetjes als de “driehoek” kun je de taal gemakkelijker eigen maken. Je belandt als het ware in de taal. Zo krijg je zelfs het gevoel er niet ver van verwijderd te zijn om ooit net zo vloeiend Spaans te spreken als een Spanjaard.

Categorieën
0 Comments
0 Pings & Trackbacks

Geef een reactie